PHILIP BLOEMENDORP, DETECTIVE IN RUSTE

Philip Bloemendorp, ex-Polygoon-medewerker, lost als detective tal van zaken op, samen met zijn assistent Axl Doornroosje, zanger bij de heavy metalband Kruidjesroermeniet.

Downloaden philipdetective.sxw (196.8K)

MET TERUGWERKENDE KRACHT

Novelle

Zes vrienden van de middelbare school gaan ieder hun eigen richting uit en worden 10 jaar na hun eindexamen weer met elkaar geconfronteerd. Een leuk groepje was het niet, want ze terroriseerden zwakkere leerlingen en met name Dimitri, die later een beroemde (homoseksuele) voetballer zou worden.
De leider van de groep vrienden is een beruchte crimineel geworden, die de moord van een Duitse bisschop op zijn geweten heeft. Hij weet na jaren uit de gevangenis te ontsnappen en komt weer in contact met zijn vroegere maatjes.
Andere leden van het groepje komen ook in de bekendheid, ieder op hun eigen manier. Zo gaat Karel 45 dagen zonder eten in een glazen kooi zitten die is opgehangen aan een hijskraan die vlak bij de Amstel staat. Dat trekt natuurlijk veel bekijks.
Redt Karel het? En wat gebeurt er met Roel, het zoontje van zijn vroegere vriend Ad, die wordt doodgeschoten tijdens zijn actie tegen de islam? Roel ziet in Karel een nieuwe vader, maar wil Karel dat wel? En Lenny ziet het niet zo zitten dat Karel, als zijn stunt slaagt, er miljoenen mee verdient…

Downloaden terugwerkendekracht.sdw (478.0K)

TONEELSTUK

PARTIJTJE

Een toneelstuk in vijf bedrijven over vijf jongemannen tussen de twintig en de vijfentwintig die zonder elkaar te kennen, samenkomen om een voetbalwedstrijd te organiseren voor jongeren in een zgn. ‘krachtwijk’. Ze hebben allemaal een verschillende achtergrond; voetbal is wat hen bindt.

Er ontstaat een vriendschapsband tussen hen, die zich over meer dan een jaar uitstrekt. Plotseling komt een van hen te overlijden. Vervolgens vinden er allerlei geheimzinnige gebeurtenissen plaats die hen doet nadenken over de zin van het leven en hen tot ingrijpende beslissingen brengt.

Downloaden partijtje2.sdw (447.0K)

5 November 2006
By on 10:51
TINUS VAN DE THUISZORG

Download tinus.doc  Een kort verhaal.

16 September 2006
By on 08:09
Elmer (5)

FRAGMENT UIT ‘DE SMETTELOZE REIZIGERS’ (Boek 2, ‘Elmer’):

Het begon te regenen. Elmer deed de schemerlamp boven zijn computer aan en zei een rijtje Duitse woordjes op. Hij wilde het rijtje gaan herhalen, toen hij een steentje tegen de ruit van één van de balkondeuren hoorde ketsen. Voorzichtig gluurde hij naar buiten. Het was de oude man. Elmer liet hem binnen. De naam van de man was Gommelersweert en hij wist als enige van Elmers geheim af. Wekenlang had hij Loes op straat gevolgd. Op een dag had hij haar bespied toen ze zich stond om te kleden. Net als vandaag was hij langs een regenpijp omhoog geklommen. Zijn lenigheid dankte hij aan het feit dat hij in zijn leven veel aan sport had gedaan. Tegen alle vermaningen van Trees in om geen vreemde mensen binnen te laten, had Elmer de man op zijn kamer laten komen en kennis met hem gemaakt. ‘Wat een weertje, hè?’ zei Gommelersweert, die door Elmer "Gompy" werd genoemd, nu. ‘Het wordt herfst.’ ‘Hier is het lekker warm. Ben je je huiswerk aan het maken?’ ‘Ja.’ Het was hun tweede ontmoeting. De eerste keer had Gompy alleen maar een beetje gelachen en verteld dat hij vingerhoeden verzamelde. ‘Ik heb al tweeduizend verschillende,’ had hij gezegd. Net als toen zag de man er niet al te fris uit en stonk hij naar de jenever. ‘Ik heb een vingerhoed bij me, die door Willemientje, de oma van Beatrix, is gebruikt,’ vertelde hij en haalde een gouden vingerhoed tevoorschijn. Hij deed hem op zijn rechterwijsvinger, waarna hij deze als een schoolmeester op en neer bewoog. ‘Jij moet goed je huiswerk leren, jochie, anders zwaait er wat.’ Elmer lachte. Hij probeerde de vingerhoed af te pakken, maar Gompy trok gauw zijn hand terug. ‘Ik hoor de voordeur,’ zei Elmer opeens. ‘Trees komt thuis. Vlug, de kast in.’ De oude man kroop de klerenkast in. ‘Loes!’ riep Trees. ‘Kom je thee drinken?’ ‘Ja!’ riep Elmer terug. Hij deed het licht in zijn kamer uit en liep de trap af. Trees had een plaatje van Hitwonder opgezet. ‘Weet je nog?’ zei ze. ‘Die avond in Vunnig? Toen ik je meenam?’ ‘Ja. Het was best wel spannend.’ In feite had Elmer het doodeng gevonden. Die avond had hij Housemartin voor het eerst ontmoet. Hij was even sigaretten voor zijn moeder wezen kopen. Plotseling had de auto van Housemartin vlak vóór hem gestaan. ‘Ga je mee naar een leuk feest?’ had hij aan Elmer gevraagd. ‘Nee, geen zin.’ ‘Je moet mee. Ik wil het.’ Housemartin had Elmer hypnotiserend aangekeken. Voordat de jongen het goed en wel besefte, waren ze aangekomen in Vunnig. Tijdens het feest had Elmer het gezicht van Ruben in de menigte ontdekt. Hij was erin geslaagd om zijn vader een briefje toe te spelen. ‘Ik vermoord je, als je probeert te ontsnappen of contact opneemt met je ouders,’ was Housemartins eerste waarschuwing geweest toen ze op weg waren gegaan naar het zigeunerkamp. Naar de politie gaan of op een andere wijze om hulp vragen hield dus een levensgroot risico in. ‘Vanavond heb ik een interview met een interessante man,’ zei Trees. ‘Zijn naam is Nerving. Je mag wel mee, als je zin hebt.’ ‘Ja, leuk. Mag ik dan óók een paar vragen stellen?’ ‘Dat is goed.’ ‘Ik ga weer verder met mijn huiswerk,’ zei Elmer en liep naar boven. Gompy zat nog steeds in de kast. Elmer hoorde hem snurken. Hij maakte de oude man wakker. ‘Je moet weg,’ zei hij. ‘M’n moeder wordt hartstikke kwaad als ze je hier ziet.’ ‘Stuur je me de regen?’ vroeg de verzamelaar op een zielig toontje. ‘Ja!’ zei Elmer. ‘Wegwezen.’ Als een bliksemschicht schoot Gompy naar de balkondeuren toe. ‘Ik mag toch wel terugkomen, hè?’ vroeg hij nog, voordat hij verdween. ‘Ja, als je nu maar opsodemietert.’ Elmer deed de deuren dicht en ging achter zijn computer zitten.

5 February 2006
By on 08:34
Elmer (4)

Trees was al naar bed gegaan, toen haar dochter om half tien thuiskwam. Er zat een man op het bed van Loes, die zich voorstelde als Sint Franciscus van Assisi.
‘Weet je wie Jezus is?’ vroeg hij.
‘Nee,’ antwoordde Loes, terwijl ze haar pruik afzette.
‘Jezus is de Waarheid.’
Loes trok al haar kleren uit.
‘De naakte waarheid?’ vroeg Elmer lachend.
‘Je leven bestaat nu uit leugens. Jezus is het Leven, het echte Leven.’
‘Dat zegt me niks,’ zei Elmer, terwijl hij zijn pyama aantrok. ‘Ik heb nu best wel een lekker leventje. Moet je al die spullen eens zien.’
‘Je leven is vol materie, maar zonder liefde. Jezus is Liefde.’
‘Wat is liefde?’
‘Dat is dat blije en gelukkige gevoel in je hart, dat je krijgt als je een bepaald persoon of dier ziet, of iets in de natuur. Het kan ook door muziek komen, of door een stem, of door vogels. Maar zonder Jezus kun je dat gevoel niet hebben.’
‘Ik hou van muziek.’
‘Ja, maar muziek kan vele functies hebben: bijvoorbeeld het opvullen van de stilte, zodat je niet aan onprettige dingen hoeft te denken, of je kan erdoor in trance komen, zodat je even weg bent uit de werkelijkheid. De kracht van goede muziek ligt hierin, dat je als luisteraar steeds weer wordt herinnerd aan de schoonheid van de schepping en uitstijgt boven het alledaagse. Door het geloof in God krijgt muziek een extra dimensie. En zo is het met alles. Als je van Jezus houdt, zie je mensen niet langer als gebruiksvoorwerpen om er zelf beter van te worden, maar als waardevolle medemensen. Dieren ga je erkennen als wonderen der schepping en niet langer beschouwen als objecten die je je wil kan opleggen. Ook de natuur wordt een bewijs van Gods bestaan, dat gerespecteerd moet worden en niet vernietigd om er geld aan te verdienen.’
‘Ik ben vóór Greenpeace.’
‘Goed zo. Maar ben je ook voor Jezus?’
‘Ik heb Jezus niet nodig,’ zei Elmer, terwijl hij in bed kroop.
De heilige deed zijn bovenkleed uit. In zijn zij was een afschuwelijke, etterende wond te zien. Hij hield zijn bloederige handen omhoog, die net als zijn voeten doorboord waren. Elmer deed gauw zijn ogen dicht.
‘Dit zijn de zogenaamde stigmata,’ zei Franciscus. ‘Deze wonden kreeg Jezus, toen Hij aan het kruis werd genageld, Hij stierf voor onze zonden.’
‘Het wordt míj een beetje te heavy,’ zei Elmer. ‘Ik wil slapen.’
Death metal-toestanden hadden hem nooit zo gelegen. Hij moest bijna overgeven.
‘Prima,’ zei de heilige. ‘Ik ga nu. Een gezegende nacht toegewenst.’
‘Welterusten.’
Even voelde Elmer een windvlaag. Toen was hij weer alleen.

Oktober. De bladeren vielen volop van de bomen. Overdag deed Elmer het huishouden en leerde hij de lessen die Trees hem had opgegeven. Deze was van mening dat haar dochter alleen de belangrijke dingen hoefde te weten. De periode 1939 – 1945 in de wereldgeschiedenis had ze bijvoorbeeld helemaal weggelaten.
‘Er is toen niet veel bijzonders gebeurd,’ was haar antwoord op Elmers nieuwsgierige vragen geweest. ‘De joden? Wat is daarmee? Die hadden het toen heel goed.’
Wiskunde vond Trees het voornaamste vak. Elmer begreep er helemaal niets van en hij zag het nut er niet van in. Maatschappijleer kreeg hij niet, omdat zijn lerares hem al allerlei politieke denkbeelden bijbracht. De jongen wist hoe een ideale samenleving er uit zou kunnen zien. Aan het hoofd daarvan stond een in keurig kostuum gestoken Leider van middelbare leeftijd. De burgers volgden hem gehoorzaam, terwijl ze hun werk deden.
‘Jij kan die Leider worden,’ had Trees tegen Elmer gezegd. ‘Lijkt het je iets? Als je eenmaal goed toespraken kunt houden, ben je er al helemaal geschikt voor.’
Elmer had een visioen gekregen, waarin hij zichzelf bovenop een gouden troon zag zitten. Iedereen boog voor hem.
‘Ja,’ had hij geantwoord. ‘Dat zou ik tof vinden.’
‘Dan gaan we daar samen naartoe werken.’
De skinheads die regelmatig bij Trees op bezoek kwamen, hadden dezelfde ideeën als zij.
Biologie was ook weer zo’n vak dat Elmer maar matig kon boeien.
‘Onthou het goed,’ was het advies van Trees geweest, ‘sport staalt de spieren.’
En tijdens de economielessen kreeg Elmer steeds de raad zo zuinig mogelijk te leven.

3 February 2006
By on 08:50
Elmer (3)

Via de Proteststraat keerde Loes terug naar huis. Het begon haar eigenlijk een beetje te vervelen dat ze zich alweer een paar maanden in dezelfde omgeving bevond. Ze voelde zich een geboren zigeunerin, een reizigster. En omdat ze vanwege haar jeugd nog zo onschuldig was, kon je haar een smetteloze reizigster noemen. Ze was welgevallig in de ogen van de hygiënisch ingestelde Trees Huismus.
‘Loesje!’
Jerry riep haar vanuit het raam van zijn kamer.
‘Hoi!’ riep ze terug.
‘Kom je vanavond nog naar het schuurtje?’
‘Ja, ik kom!’
‘Oké, dan zie ik je!’
Loes verruilde niet altijd haar meisjeskleren voor die van Elmer als ze binnen was. Ze hield ervan om spelletjes te spelen met Trees, die door haar hoge stem nog nooit iemand op het idee had gebracht dat ze weleens een man zou kunnen zijn. Ook vandaag bleef Loes het dochtertje van Trees. Ze nestelde zich op de bank in de woonkamer en hield Tilly dicht tegen zich aan.
Trees had het huis kunnen kopen met het geld dat de verkoop van de sportschool had opgeleverd. Ze wilde dicht in de buurt van haar nieuwe baan wonen. Digi was een maandblad dat aandacht besteedde aan nieuwe trends. Trees hield interviews met succesvolle zakenmensen, artiesten en sportlieden.
Om half zes kwam ze thuis.
‘Dag, mam,’ begroette Loes haar.
‘Hallo, wat eten we vandaag?’
‘Kip met doperwten en appelmoes.’
‘Lekker,’ zei Trees, terwijl ze naast haar dochter op de bank ging zitten. ‘Moet je eens kijken wat ik heb meegenomen.’
Ze haalde een foto uit haar tasje.
‘Een collega van mij heeft deze gemaakt in het Johannes de Doperziekenhuis.’
‘Hé, Michael Jackson.’
‘Ja. Hij was daar incognito. De bladen kregen het pas op het laatste moment te weten.’
‘Wie is dat rare mannetje met dat clownsgezicht?’
‘Waar?’
‘Hier, in dat hoekje.’
‘O, dat weet ik niet. Waarschijnlijk een verpleger die zich had verkleed om de kinderen op te vrolijken.’
‘Hij lijkt een beetje op pappa.’
‘Dat kan niet. Die heeft nu vast een paars drankgezicht met bloeddoorlopen ogen. Deze man ziet er veel te gezond uit.’
Loes was er niet van overtuigd dat er een andere man dan haar vader op de foto stond, maar ze liet niets merken. Ze had nog steeds de stille hoop dat ze Ruben eens terug zou zien.

De gemiddelde leeftijd van de Urbi’s en de Orbi’s was veertien jaar. Jerry, de zanger/slaggitarist was veertien, Bert, de drummer, telde vijftien lentes, Lukas, de bassist, was dertien en Hugo, de sologitarist, had de leeftijd van veertien jaar bereikt.
‘Ik wil geen ego’s,’ had Jerry gezegd, toen hij de groep oprichtte, en tot nu toe waren er weinig meningsverschillen geweest.
Loes zat bij de jongens in het schuurtje. Ze was zeer geïnteresseerd in de muzikale ontwikkeling van de groep. Hun stijl was grunge-achtig en dat beviel haar wel als Nirvana-fan.
‘Zullen we ‘Faith, Hope and Love’ nog even doen, jongens?’ stelde Jerry voor en sloeg een paar akkoorden op zijn gitaar aan.
De anderen vielen in. Loes werd opgenomen in een orgie van geluid. Ze vergat Ruben, Trees en Nietzsche. Dit was de muziek van de toekomst, van de jeugd. Hier kon ze op zweven en dat deed ze dan ook.
Jerry schreef de nummers samen met Lukas. Hun inspiratiebronnen varieerden van de Sex Pistols tot Guns n’ Roses.

1 February 2006
By on 10:56
Elmer (2)

Op een ander tegeltje stond:

IN DEZE HALLE,
WAAR NOOIT EEN VOGEL ZINGT,
DAAR LAAT DE MENS IETS VALLEN,
WAT ONBESCHRIJFLIJK STINKT.

‘Fantastisch,’ zei Nietzsche, toen hij weer in Elmers kamer stond, ‘zoals die sanitaire voorzieningen zijn verbeterd. Mag ik even met je apparaat stoeien?’
De jongen stond op om plaats te maken voor de filosoof, die verbazingwekkend snel doorhad hoe de pc werkte. In ALGEMENE INFORMATIE typte hij: De mensch kan niet naar roozen ruyken, laat open daarom beide luyken, voor hen die ‘t kakhuys straks gebruyken.
Elmer lachte.
‘Dat is een tekst die ik me nog kan herinneren van vroeger,’ zei Nietzsche. ‘Wist je dat de oude Romeinen altijd in groepsverband zaten te pissen? Ze hadden openbare toiletten van twintig zitjes, gegroepeerd rondom een rechthoek of een halve cirkel. De kloosters in West-Europa waren de eerste die hygiënische kennis verspreidden, en dat was wel nodig ook, want in de middeleeuwse steden werden alle afval en vuil zomaar op de onverharde straten gegooid. De huizen hadden toen nog helemaal geen wc’s. De mensen gebruikten po’s, die ze leegkieperden op straat.’
‘Gadverdamme. Dus de monniken brachten daar verbetering in?’
‘Ja. Zij waren de eerste verplegers van zieken en gaven als eersten onderwijs aan de jeugd. En ze zorgden voor het geestelijk leven van de mens door het verspreiden van boeken die ze zelf hadden gemaakt.’
‘Trees zegt dat God niet bestaat.’
‘Daar heeft ze volkomen gelijk in. Het christendom is moralistisch. Goed en Kwaad bestaan niet. Ik geloof in de Ewige Wiederkunft. Als mens kom je na je dood weer terug op aarde en zo gaat dat eeuwig door. Je ziet dat ik gelijk heb, want ik ben in 1900 overleden.’
‘Oja, ik moet Tilly uitlaten.’
‘Ga je gang. Ik loop wel een stukje met je mee.’
Elmer deed zijn jongenskleren uit en trok een T-shirt en een rokje aan. Daarna zette hij een blonde pruik op.
Met het poedeltje aan de lijn wandelde Loes naast Nietzsche over de Nostalgielaan. Acht nuchtere bierbrouwers stapten uit een vrachtwagen en aaiden Tilly één voor één. Ze deed een plas tegen een lindeboom.
‘Men gaat er vanuit dat de mens een geweten heeft,’ zei Nietzsche, ‘maar dat is een misverstand. Iedereen streeft zijn eigen belang na en gaat daarbij over lijken als het moet. Jij bent nu nog onschuldig, maar straks word je ook een beest.’
Het poedeltje was klaar met haar plas. Loes en Nietzsche sloegen rechtsaf, de Sixtiesstraat in.
‘Ik ben tijdens mijn leven te weinig met kinderen omgegaan,’ zei de schrijver. ‘Al op jonge leeftijd was ik een heel serieus man geworden, die alleen maar met zijn neus in de boeken zat. Alles wat op speelsheid leek had ik uit mijn leven verbannen. Naarmate ik ouder werd, werd het steeds erger. Ik was blind geworden voor de leuke dingen in het leven. Voor een vrolijk liedje, een zingende vogel of spelende kinderen. Dat deed me allemaal niets meer. Pas nu besef ik dat het ware geluk in de eenvoud te vinden is. En dat kinderen vaak verfrissende uitspraken kunnen doen. En ik was vroeger zo tegenstrijdig als de pest. In mijn boeken verheerlijkte ik de Ubermensch, maar in werkelijkheid was ik altijd ziek.’
Ze liepen door het Babyboomplantsoen. Tilly holde achter een vlinder aan. Het was nog heel zacht voor de tijd van het jaar.
‘Loop jij maar door,’ zei de filosoof. ‘Ik ga een ijsje kopen. Auf Wiedersehn.’

30 January 2006
By on 11:10
Elmer (1) (Boek 2 van ‘De smetteloze reizigers’)

Boek 2. Elmer

7
Weegschaal

Het zwarte poedeltje Tilly was net uit het bakje water aan het drinken dat Elmer voor haar had klaargezet, toen de astroloog in de keuken verscheen.
‘Hallo, jongeman,’ zei hij. ‘Zoals je misschien wel gehoord zult hebben, is de mensheid ingedeeld in twaalf sterrentekens, die elk weer andere karaktereigenschappen vertegenwoordigen.’
‘Ja, dat weet ik. Ik ben een Tweeling, Housemartin is een Ram, pappa is een Vis en mamma een Kreeft.’
‘Heel goed. Ik ga je nu iets vertellen over de Weegschaal. Een Weegschaal-geborene heeft liefde en vrede nodig. Hij of zij wordt sterk gemotiveerd door de behoeften van anderen en is dus zelden egocentrisch. De Weegschaal wil graag bemind worden en zoekt altijd de mensen op.’
‘Hoe gaat het met pappa?’
‘Goed. Hij is uit het ziekenhuis ontslagen en weer aan het werk gegaan. Je bent geen moment uit zijn gedachten. Neem dat maar van mij aan.’
‘Wanneer zal ik hem weer zien?’
‘Dit jaar nog niet. Misschien volgend jaar.’
De astroloog vertrok. Elmer ging naar de kamer, die hij in het grote huis van Housemartin aan de Nostalgielaan tot zijn beschikking had gekregen. Er stond een stereotoren met CD-speler in en aan de muren hingen posters van popsterren. Bovendien kon de gekidnapte jongen gebruik maken van een pc, maar niet met internet.
Elmer mocht het huis alleen verlaten in de hoedanigheid van het meisje Loes, de dochter van mevrouw Huismus. Als Housemartin, verkleed als Trees Huismus, thuiskwam van zijn werk bij het tijdschrift Digi, bleef hij meestal in zijn rol van Trees. Elmer vond het spannend om verkleed als meisje over straat te lopen. Het was zijn liefste wens om acteur te worden, al had Huismus hele andere plannen met hem.
Rubens zoon ging achter zijn computer zitten en zette hem aan. Sinds zijn terugkeer uit Amerika had hij al enkele mappen met documenten gemaakt, die hij als volgt had benoemd:
LESPAKKET (deze map bevatte de privélessen die hij van Huismus kreeg);
POLITIEK (onder deze naam bewaarde hij alles wat Huismus hem over politiek vertelde);
ALGEMENE INFORMATIE (onder deze noemer hield Elmer een soort dagboek bij, waarvan hij de tekst echter meestal na een paar dagen verwijderde);
URBI EN DE ORBI’S (deze map had betrekking op de popgroep van zijn buurjongen Jerry).
De mappen verschenen in beeld en Elmer klikte op POLITIEK. Hij las het laatste document wat hij gemaakt had:
Alleen gezonde mensen zijn productief. Zij tellen mee, maar de zwakken niet. Alle zwakken in de samenleving moeten geëlimineerd worden. Pas daarna kunnen we spreken van een goed georganiseerde samenleving, waarop niets valt aan te merken.
Hygiëne is een eerste vereiste. In een schone omgeving worden onze gedachten vruchtbaar. De mensen moeten meer gaan zwemmen. Zo krijgen we een schoon Nederland. En zwemmen is goed voor de ontwikkeling van de juiste politieke ideeën.
Elmer opende het document in de map ALGEMENE INFORMATIE:
Trees zegt dat ik pappa moet vergeten, omdat hij een zwakkeling is. Hij drinkt te veel en leeft in een droomwereld, waardoor hij niet van nut kan zijn voor de samenleving. Volgens Trees is kunst zinloos en verspilling van energie.
Dat Elmer dolgraag acteur wilde worden, wist Trees niet en als het aan de jongen lag, zou ze het ook nooit te weten komen.
Alleen housemuziek is goed, volgens Trees, omdat het je in een bevrijdende trance kan brengen. Bovendien is house verbonden met een lichaamscultuur die de Jeugdigheid en de Vitaliteit eer aan doet. Er is geen plaats voor te moeilijke gedachten en filosofieën over het leven na de dood. Als je dood bent, ben je dood. Punt uit.
De tekst van het document in de map URBI EN DE ORBI’S luidde:
Ik zit nu elke week bij de repetitie van de band en gedraag me zo meisjesachtig mogelijk. Met Trees heb ik afgesproken dat als ze me ontmaskeren, ik gewoon zeg dat het een grap was.
‘Deze apparaten hadden ze nog niet in mijn tijd,’ zei Friedrich Nietzsche, die via de balkondeuren Elmers kamer was binnengekomen, ‘maar al die ideeën sluiten perfect aan bij mijn opvattingen over de Ubermensch.’
‘Trees is er niet, hoor. Ze is naar haar werk.’
‘Die Trees moet een prachtvrouw zijn. Een vrouw naar mijn hart.’
Nietzsche keek naar een poster van Nirvana.
‘Hé,’ zei hij, ‘die blonde jongen heb ik pas nog gesproken. Hoe heet hij ook alweer?’
‘Kurt Cobain.’
‘Ja, precies. Intelligente knaap. Leefde alleen wel in een droomwereld. Zwakke persoonlijkheid. Is te veel met kunst bezig geweest.’
‘Dat zegt Trees ook.’
‘Zeg, kan ik misschien even van het toilet gebruik maken?’
‘Ja, hoor. Het is de deur hier recht tegenover.’
Nietzsche liep de kamer uit en ging naar de wc. Daar hing een tegeltje met de tekst:

HET IS BETER TE WINDEN EN TE RUFTEN
DAN VAN OBSTIPATIE TE ZUCHTEN.

28 January 2006
By on 10:40
Ruben (55)

‘Hebbie in de koeiestront gelege?’ vroeg Loek, toen Ruben de ziekenzaal binnenkwam.
Ruben negeerde hem en trok schone kleren aan. Hij had geen zin meer om naar de kinderafdeling te gaan. In de conversatieruimte wachtte hij tot het bezoekuur zou aanbreken. Op de televisie was de Gouden Koets te zien. Militairen, paarden, lakeien, een lachende koningin, parlementsleden, ministers, vlaggetjes, hoeden en dranghekken: het was elk jaar weer dezelfde vertoning.
‘De Gouden Koets gaat nu de hoek om,’ zei de commentator. ‘De koningin lacht en zwaait.’
Een en ander werd door de beelden bevestigd.
‘Sinds vanmorgen vijf uur staan er mensen achter de dranghekken,’ vervolgde de commentator.
‘Leve de koningin!’ zei Mike, terwijl hij de ruimte binnenkwam.
Ruben lachte en zette het toestel af. Daarna merkte hij pas dat zijn assistent iemand had meegenomen. Het was Ko, die Ruben joviaal de hand drukte.
‘Hoe gaat het ermee, ouwe rukker?’ vroeg de vertolker van Jezus.
‘Jij bent wel de laatste die ik hier had verwacht,’ zei de jongleur.
‘Je moet de groeten hebben van de hele troep,’ zei Ko. ‘We hopen dat je weer gauw mee kunt doen.’
‘Ik hoop het ook. Hoe loopt het toneelstuk?’
‘Als een trein,’ zei Mike. ‘We zijn elke avond uitverkocht.’
Ko stak een dikke sigaar op.
‘Dit succes is niet zo verwonderlijk,’ zei hij, enorme rookwolken uitblazend. ‘Je hebt de Passiespelen van Tegelen, maar voor de rest is er helemaal geen Nederlandstalige versie van de dramatische uitbeelding van het lijdensverhaal. We voorzien in een behoefte.’
‘Dit toneelstuk heeft mijn leven veranderd,’ zei Ruben. ‘Is dat bij jullie ook zo, jongens?’
‘Het is te gek om mee te maken,’ zei Mike.
‘Ik ben er nederiger door geworden,’ verklaarde Ko. ‘Deze rol heeft me gelouterd.’
‘Sinds ik bij deze productie betrokken ben,’ zei Ruben, ‘sta ik veel meer open voor het wonder van het leven. Het zou me niets verbazen als mijn teerbeminde zoontje Elmer nu plotseling voor mijn geestesoog verscheen.’
‘Wil het bezoek afscheid nemen?’ vroeg zuster Bacil, die hoestend de ruimte binnenkwam.
‘Mogen we nog even blijven zitten, zuster?’ vroeg Ko. ‘We zijn er net en deze meneer krijgt toch al zo weinig bezoek.’
‘Regels zijn regels,’ zei Bacil. ‘De bezoektijd is voorbij.’
‘Belachelijk!’ schreeuwde Ko. ‘Wie denkt u wel dat u bent? De koningin soms?’
Bacil ging met haar armen over elkaar in de deuropening staan.
‘Hier ben ìk de baas,’ zei ze.
Ko blies een rookwolk in haar gezicht. Hij gooide de koffietafel om die in het vertrek stond, en beende vloekend naar de lift.
‘Het is een acteur,’ zei Ruben tegen Bacil. ‘Hij speelt de hoofdrol in Het lijden van Jezus.’
‘Al was het de paus zelf. Hij heeft te doen wat ìk zeg!’
Nadat Mike de tafel overeind had gezet, voegden hij en Ruben zich bij Ko.
‘Wat een verschrikkelijk wijf!’ brieste deze.
‘Ik laat jullie nog even uit,’ zei Ruben. ‘Dan heb ik gelijk een loopje.’
Het drietal stapte in de lift en zoefde naar beneden. Op de derde etage kwam Onassis erbij. Het hokje was nu bijna helemaal vol, maar bood nog plaats aan Brian Epstein, die op de tweede verdieping had staan wachten. Tussen de eerste verdieping en de begane grond bleef de lift steken.
‘Jezus,’ zei Ko, ‘wat krijgen we nou?’
‘We zitten vast,’ zei Epstein, die vlak tegen Mike aan stond, glimlachend.
‘We komen te laat in Amersfoort,’ zei Ko tegen Mike.
‘Je krijgt tóch nog eerst de scène in Betlehem,’ zei de jongen geruststellend.
Ruben voelde dat Mike zijn ballen bij zich had. De aanraking ervan gaf hem hoop en deed hem vooruitzien naar zijn hernieuwde deelname aan het toneelstuk. Ko doofde zijn sigaar.
‘Waar blijven ze toch?’ zei hij met een diepe zucht.
De lift was nu doordrongen van een rook- en een transpiratielucht. Ook had er iemand een wind gelaten.
‘Ik hou het niet meer uit,’ zei Ko.
Hij begon zachtjes te huilen.
‘Een situatie als deze schept een zekere broederschap,’ zei Epstein. ‘Voelen jullie dat ook?’
‘Ja,’ zei Ruben. ‘De mensen zijn tegenwoordig steeds minder close. Ik hóu van situaties als deze. Ondanks de ellende toch verbondenheid met elkaar voelen. Dàt is leven.’
Na een kwartier werden de mannen en de jongen uit hun benarde positie bevrijd. Mike en Ko haastten zich naar een taxi. Onassis zocht een toilet op. Epstein liep naar het boeken- en tijdschrijftenstalletje, terwijl Ruben naar boven ging. Zijn been had het goed gehouden.

Nog één keer wilde Ruben een optreden geven voor de patiëntjes van de kinderafdeling. Hij sprak over zijn voornemen met de andere mannen op de zaal en met de verpleegkundigen, die het allemaal een goed idee vonden. Nadat hij zich had voorbereid, toog hij met zijn ballen in de hand naar de desbetreffende verdieping. Hoe dichter hij bij de kinderafdeling kwam, hoe meer mensen hij tegenkwam. Niet alleen lopende patiënten en verpleegkundigen bevolkten de etage, maar ook mensen met fototoestellen en videocamera’s van buiten het ziekenhuis.
Het is uitgelekt, dacht hij. Jammer. Nu is mijn optreden geen verrassing meer. Toch maar het beste ervan zien te maken.
Hij besloot voor de grap zijn gezicht te schminken als dat van een clown en het onverwacht aan de kleintjes te laten zien. Opeens zou hij met zijn ballen middenin de zaal staan! Toen hij van het toilet kwam met een vrolijke grijns op zijn smoel en met een zonnetje op een van zijn wangen, hoorde hij de kinderen al lachen. Hij hield zijn ballen paraat.
Bij de deur van de kinderafdeling was een hevig gedrang ontstaan. Ruben had nooit durven hopen dat hij zó populair was.
‘Hier ben ik, mensen,’ zei hij. ‘Mag ik er even langs?’
Hij moest zijn verzoek nog een paar keer herhalen, voordat men enigszins opzij week om hem door te laten. Even diep ademhalen, een kleine aanloop, een sprong en dan: ‘Tataaaaaa!’
Ruben stond tussen de kinderbedjes in, maar bijna niemand merkte hem op. De meeste ogen waren gericht op Michael Jackson, die het handje van een doodziek jongetje vasthield. De zanger was in het diepste geheim naar het ziekenhuis gekomen om de laatste wens van het knaapje in vervulling te doen gaan. Ruben zag dat Jackson het kind enige woordjes toefluisterde, terwijl hij werd omringd door bodyguards en drommen nieuwsgierigen, waaronder ook de stille zich bevond.
Ruben stak zijn ballen weer bij zich en keerde terug naar de lift. Hier kon hij niet tegenop.
Nog diezelfde week werd hij ontslagen uit het ziekenhuis en kon hij zich weer aansluiten bij het toneelgezelschap.

EINDE DEEL 1 VAN ‘DE SMETTELOZE REIZIGERS’

26 January 2006
By on 11:39
Ruben (54)

De oefeningen gingen steeds beter. Ruben kon nu tien minuten overeind blijven staan zonder te vallen. Hij had geen rolstoel meer nodig en verplaatste zich van zitplaats naar zitplaats. Ook zijn zaalgenoten knapten steeds meer op. Er leek onder hen een wonderbaarlijk genezingsproces te zijn ingezet na de wederopstanding van Wesley, die inmiddels uit het ziekenhuis was ontslagen.
‘Volgende week ga ik terug naar Spanje,’ zei Carlos. ‘Ze hebben m’n bandelero’s al voor me klaargelegd.’
‘In dat land ben ik nou nog nooit geweest,’ zei Piet. ‘Wel in Schotland. Ik heb het niet zo op die warme landen. Je loopt maar door die hitte te sjokken. Geef mij het noorden maar.’
‘Venetië is mooi,’ zei Loek. ‘Je heb daar geen stoepe, want alles staat onder water.’
‘Als ik weer bij mijn zoon ben,’ zei Ruben, ‘gaan we samen naar Rome. Het is een stad vol oude plekjes.’
‘Ontdek je plekje,’ zei Joop. ‘Mijn plekje is Parijs, jongens. Vooral in de lente. Dan gaat Joop weer achter de vrouwtjes aan.’
‘London is the place for me,’ zong Piet en begon zijn zak te bespelen.
Ruben kreeg zin om met zijn ballen naar de kinderafdeling te gaan. Voorzichtig schuifelde hij door de gangen. Hij verlangde naar vrolijke kindergezichtjes. Er waren patiëntjes bij die wisten dat ze zouden sterven, maar desondanks een blijmoedigheid bezaten waar hij versteld van stond. Hier kon hij God vinden.
De liftdeuren schoven open. Ruben stond tegenover Brian Epstein.
‘Ik kom de laatste tijd nogal veel beroemdheden en heiligen tegen,’ zei Ruben. ‘Ik word er een beetje tureluurs van. Laatst Onassis weer.’
‘Wat is beroemd?’ zei de voormalige manager van The Beatles. ‘Wat is heilig? Ben ik heilig of beroemd? Als ik heilig ben, ben ik dan ook beroemd? En omgekeerd: als ik beroemd ben, ben ik dan ook heilig? Wat voor de een heilig is, is dat voor een ander absoluut niet. Wie voor de een beroemd is, is voor een ander volstrekt onbekend. Alles is relatief.’
‘Dat weet ik, meneer Ein…, eh, Epstein. Zullen we daar even op dat bankje gaan zitten?’
De twee mannen namen plaats op een bankje.
‘Ik vind dat u een heilige bent,’ zei Ruben, ‘want u heeft de Beatles ontdekt.’
‘Dank u.’
‘Als een van de weinigen in de geschiedenis van de mensheid durfde u de creatieve krachten in jonge mensen aan te boren en deze te gebruiken voor het geluk van velen. Is dat al eens tegen u gezegd?’
‘Nee, nog niet.’
‘Ik zou mijn zoon dolgraag willen opleiden tot jongleur of tot wat voor artiest dan ook. Hij heeft het juiste bloed. Míjn bloed.’
‘Wij, artiesten, zijn één grote familie, met hetzelfde bloed.’
‘Dat is waar. Mike, mijn assistent, zie ik ergens ook als mijn zoon. Ik heb hem het vak bijgebracht.’
‘Hou er rekening mee dat leerlingen vergeten wie hun leermeesters waren. Ze houden zichzelf voor dat ze alles altijd zelf hebben gekund. Ondank is ‘s werelds loon.’
‘Onze leerlingen zullen ons gaandeweg vervangen. Het is ons lot.’
Onassis kwam voorbij, wierp een blik op de twee kunstenaars en liep toen naar de koffieautomaat die in de buurt van het bankje stond. Hij gooide een paar muntstukjes in de opening. Er gebeurde niets. De Griekse reder drukte op een knop. De geldstukken vielen in een bakje. Opnieuw gooide Onassis ze in de automaat. Het koffiebekertje stond klaar om gevuld te worden, maar er kwam niets uit het apparaat. De miljardair bonsde er een paar keer tegenaan. Het haalde niets uit. Kleut schoot te hulp.
‘Als we oud zijn,’ zei Ruben, ‘kunnen we genieten van de vruchten van onze arbeid en oogsten wat we gezaaid hebben. Dan zullen we met trots kunnen zeggen: “Dàt zijn onze kinderen daar, die de hand aan de ploeg slaan en werken voor het algemeen heil”.’
‘Zo hoort het te zijn,’ zei Epstein. ‘Van generatie op generatie. De jeugd heeft voorbeelden nodig en die voorbeelden zijn de ouderen.’
Onassis en Kleut stonden nu allebei op de koffieautomaat te timmeren. De magnaat schreeuwde iets in het Grieks, maar nog steeds werd zijn bekertje niet gevuld met koffie. Zijn vuist daalde neer op het ingedeukte apparaat. Plotseling spoot er een dikke straal koffie uit, die zowel Onassis als Kleut helemaal bruin kleurde. Druipend van het hete vocht vluchtten de twee mannen weg van de automaat. Nu werden Epstein en Ruben door de straal geraakt, maar lang niet zo heftig als de reder en de humanist. Ook de jongleur/dichter en de manager/acteur zochten een veilig heenkomen. Ruben verloor Epstein uit het oog toen hij de lift in schoot. Voordat de deuren dicht gingen, kon hij nog het geschreeuw van Onassis en de bezorgde uitroepen van het toegesnelde verplegend personeel horen.

24 January 2006
By on 12:09
Ruben (53)

‘Er is een wonder gebeurd,’ lachte Wesley, terwijl hij op de rand van Rubens bed ging zitten. ‘De dokters hebben achttien uur lang geprobeerd om me te redden. Tenslotte moesten ze hun pogingen opgeven. Geen enkel middel kon meer baten. Ik werd dood verklaard. Ze hebben me gewassen, afgelegd en op een brancard gelegd. Ik lag in m’n blootje onder een laken. Het was behoorlijk koud in die kamer. Naast me lag een dode, oude man. Opeens kwam ik weer bij. Ik stond op en sloeg het laken om me heen. Als een soort Lazarus wandelde ik door de gangen van het ziekenhuis. Een verpleegster die me herkende, liet geschrokken een blad met medicijnen uit haar handen vallen. “Je leeft!” zei ze. “Hoe is dát nou mogelijk?” Ze waarschuwde meteen de dokters. Ik werd weer op de onderzoekstafel gelegd en van top tot teen bekeken. Het duurde nog een hele dag, voordat ze vaststelden dat ik niets mankeerde. En daar ben ik dan! Morgen mag ik naar huis!’
‘God is goed,’ zei Ruben.
Piet begon spontaan iets te improviseren op zijn zak.
‘Dit is de mooiste dag van mijn leven,’ zei Carlos met tranen in zijn ogen.
‘Ik kan het nóg niet geloven,’ zei Joop.
‘Je bent toch geen tweelingbroer van Wesley, hè?’ vroeg Loek aan de genezen jongen.
‘Nee, hoor,’ zei deze. ‘Ik heb geen tweelingbroer.’
De ziekenzaal stroomde vol met verbaasde verpleegkundigen, lopende patiënten, Onassis, broeder Maagzuur, dokters, Kleut, interieurverzorgers, familieleden van Wesley, coassistenten en koks. Er ontstond een feestelijke sfeer in de overbevolkte ruimte. Iedereen praatte door elkaar heen.
‘De wonderen zijn de wereld nog niet uit,’ merkte iemand op.
‘En nu allemaal weg!’ riep zuster Bacil. ‘Mijn patiënten hebben rust nodig.’
De aanwezigen gehoorzaamden. Ze wierpen nog een laatste blik op de stralende Wesley en vertrokken.

Ruben deed nu elke dag oefeningen. Hij kon al een beetje heen en weer lopen in de gang. Maar nog steeds was hij aan zijn rolstoel gekluisterd als hij erop uit wilde trekken en binnen de muren van het ziekenhuis zijn horizon wilde verbreden. Hij was tenslotte een reiziger!
Zo reed hij een keer in de buurt van de directiekamer een paar rondjes om de sfeer te proeven van het Respectabele en Bewonderenswaardige. Hier had men immers de verantwoordelijkheid over zaken als Leven en Dood. Staan dokters niet het dichtst van ons allemaal bij God en de wonderen die Hij doet verrichten door middel van Zijn grote geschenk dat “medische wetenschap” heet? dacht Ruben.
‘Nee, godverdomme, nee!’ klonk het uit de directiekamer. ‘Ik ben tegen dit plan. Ik doe hier niet aan mee.’
‘Jij ligt altijd dwars, Prostaat! Bij elke vergadering is het weer hetzelfde probleem met jou.’
‘Wie heeft hier de boel gereorganiseerd? Dat was ìk. Dankzij míjn inspanningen is die nieuwbouw er gekomen. Anders hadden we nou nóg in dat krot gezeten.’
‘Maar we zitten nou wel met een begrotingstekort van hier tot ginder, idioot!.’
Ruben hoorde een zware tafel of een kast omvallen.
Dit hoort een patiënt niet te horen, dacht hij. Hier is uiterste discretie vereist.
In het zusterhuis vond Ruben het een stuk gezelliger. Hij deelde vrijkaartjes uit aan de leerling-verpleegkundigen, die om hem heen drongen en alles wilden weten over Het lijden van Jezus.
‘Over een paar weken kan ik vast weer meedoen,’ zei Ruben, ‘dankzij de goede zorgen van het medisch team hier.’
Toevallig had hij zijn ballen bij zich en hij genoot ervan hoe de jongelui smulden van zijn hoogstandjes.
‘Jij weet wel met je ballen om te gaan,’ zei zuster Traan.
‘Ach,’ zei Ruben, ‘het is een gave.’
Hij ging samen met de broeders en zusters buiten in het zonnetje zitten. Er was thee en koude frisdrank. In het gezelschap bevond zich ook een Amerikaanse broeder, die Sweat heette en een interessant verhaal te vertellen had.
‘Ik ben een kind van de Plejaden,’ zei hij. ‘Dat zijn bewoners van een sterrenstelsel dat miljoenen lichtjaren van de aarde is verwijderd. Een aantal jaren geleden gaf de regering van de VS toestemming aan enkele bewoners van de Plejaden om experimenten uit te voeren met Amerikaanse vrouwen. Deze werden door hen bevrucht en kregen kinderen, die opgroeiden op bepaalde militaire bases, zodat ze in het geheim konden worden geobserveerd. Ik ben één van die kinderen. Mijn vader ken ik niet. Het verschil tussen mij en andere mensen is dat ik genezende krachten bezit. Eén van de wonderlijkste gebeurtenissen in mijn leven is dat ik een keer een auto-ongeluk kreeg en dat ik in feite al helemaal dood was. Ik zweefde door een tunnel. Aan het eind daarvan was een fel licht te zien. Toen zag ik mezelf opeens weer helemaal genezen op een tafel liggen. Vreemd uitziende wezens waren bezig geweest om me weer op te lappen. Van binnen zie ik er heel anders uit dan andere mensen. Ik heb bijvoorbeeld twee wervelkolommen, twee slokdarmen en geen blinde darm.
‘Ken je ook andere kinderen van Plejaden?’ vroeg Ruben.
‘Ja, ik heb al een paar broers en zussen ontmoet. We komen regelmatig bij elkaar. Zij hebben óók helende gaven.’
‘Dan hoef je je gelukkig niet eenzaam te voelen,’ zei Ruben.
‘Nee,’ zei Sweat, ‘zeker niet.’
‘Ik heb zelf een zoon die zijn vader niet mag zien. Er wordt met hem geëxperimenteerd.’
‘Afschuwelijk,’ zei zuster Traan.
‘Ik heb alles overgegeven aan de Heer,’ zei Ruben. ‘Híj zal me door deze donkere nacht leiden.’
‘Aan het eind van de tunnel is er licht,’ zei Sweat.
Een andere broeder gaf Ruben zwijgend een schouderklopje, terwijl een zuster hem bemoedigend toelachte. Opnieuw ervoer de reiziger een diep-menselijk begrip voor zijn situatie. Hij strekte zijn armen uit om iedereen om hem heen aan te raken.
‘Mensen,’ zei hij uit de grond van zijn hart,. ‘Mensen zijn jullie. Lieve mensen.’
Het duurde nog even, voordat men Ruben naar zijn afdeling liet vertrekken.

22 January 2006
By on 08:07